Uitgebreid overzicht moedertaalprogramma's
Eerste klas Tweede klas Derde tot en met vijfde klas Zesde klas
- Naam van een programma
- Omschrijving van een programma
- Menu van een programma
- Beoogde eindterm(en)
e e r s t e k l a s
01. Spiegelbeeldwoorden : visueel
01. Spiegelbeeldwoordparen zoals raam – maar aanklikken, vormen en lezen
1. Bij spiegelbeeldwoordparen zoals r a a m – m a a r de letters in de juiste volgorde
aanklikken.
2. Bij spiegelbeeldwoordparen zoals k a t – t a k de letters in de juiste volgorde
aanklikken.
3. Bij spiegelbeeldwoordparen zoals p o e s – s o e p de letters in de juiste volgorde
aanklikken.
4. Bij woordparen zoals raam – maar, kat – tak, poes – soep de letters in de juiste
volgorde aanklikken.
5. Bij een woord zoals r a a m het spiegelbeeldwoord m a a r aanklikken.
6. Bij een woord zoals k a t het spiegelbeeldwoord t a k aanklikken.
7. Bij een woord zoals p o e s het spiegelbeeldwoord s o e p aanklikken.
8. Bij een woord zoals raam, kat, poes het spiegelbeeldwoord maar, tak, soep
aanklikken.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband met het
schrijven van
- klankzuivere woorden met vast woordbeeld.
02. Spiegelbeeldwoorden : auditief
02. Bij spiegelbeeldwoordparen zoals kat – tak het gehoorde woord aanklikken.
1. Bij woordparen zoals k a t – t a k het gehoorde woord aanklikken.
2. Bij woordparen zoals r a a m – m a a r het gehoorde woord aanklikken.
3. Bij woordparen zoals p o e s – s o e p het gehoorde woord aanklikken.
4. Bij woordparen zoals r a a m – m a a r, k a t – t a k, p o e s – s o e p het gehoorde
woord aanklikken.
5. Bij woordparen zoals r a a m – m a a r, k a t – t a k, p o e s – s o e p het gehoorde
woord aanklikken.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband met het
schrijven van
- klankzuivere woorden met vast woordbeeld.
03. Structuurreeksen--lat
03. Bij structuurreeksen zoals b a l - d a l - g a l - ... de ontbrekende beginletter
invullen.
1. Bij structuurreeksen zoals b al – d a l – g a l de ontbrekende beginletter invullen na
het bekijken van het volledige woord.
2. Bij structuurreeksen zoals l o k – h o k – k o k de ontbrekende beginletter invullen na
het bekijken van het volledige woord.
3. Bij structuurreeksen zoals d a n – k a n – m a n de ontbrekende beginletter invullen
na het bekijken van het volledige woord.
4. Bij structuurreeksen zoals n e t – p e t – z e t de ontbrekende beginletter invullen na
het bekijken van het volledige woord.
5. Bij structuurreeksen zoals b i m – k i m – w i m de ontbrekende beginletter invullen
na het bekijken van het volledige woord.
6. Bij structuurreeksen zoals b al – d a l – g a l de ontbrekende beginletter invullen na
het beluisteren van het woord.
7. Bij structuurreeksen zoals l o k – h o k – k o k de ontbrekende beginletter invullen na
het beluisteren van het woord.
8. Bij structuurreeksen zoals d a n – k a n – m a n de ontbrekende beginletter invullen
na het beluisteren van het woord.
9. Bij structuurreeksen zoals n e t – p e t – z e t de ontbrekende beginletter invullen na
het beluisteren van het woord.
10. Bij structuurreeksen zoals b i m – k i m – w i m de ontbrekende beginletter invullen
na het beluisteren van het woord.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband met het
schrijven van
- klankzuivere woorden met vast woordbeeld.
04. Structuurreeksen--kaas
04. Bij structuurreeksen zoals b a a s - h a a s - k a a s- ... de ontbrekende beginletter
invullen.
1. Bij structuurreeksen zoals b a a s – h a a s – k a a s de ontbrekende beginletter
invullen na het bekijken van het volledige woord.
2. Bij structuurreeksen zoals b i e t – g i e t – n i e t de ontbrekende beginletter
invullen na het bekijken van het volledige woord.
3. Bij structuurreeksen zoals b o o g – h o o g – w o o g de ontbrekende beginletter
invullen na het bekijken van het volledige woord.
4. Bij structuurreeksen zoals b a a s – h a a s – k a a s de ontbrekende beginletter invullen
na het beluisteren van het woord.
5. Bij structuurreeksen zoals b i e t – g i e t – n i e t de ontbrekende beginletter invullen
na het beluisteren van het woord.
6. Bij structuurreeksen zoals b o o g – h o o g – w o o g de ontbrekende beginletter
invullen na het beluisteren van het woord.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband met het
schrijven van
- klankzuivere woorden met vast woordbeeld.
05. Structuurreeksen--poes
05. Bij structuurreeksen zoals b o e l - d o e l - k o e l- ... de ontbrekende beginletter
invullen.
1. Bij structuurreeksen zoals b o e l - d o e l - k o e l de ontbrekende beginletter
invullen na het bekijken van het volledige woord.
2. Bij structuurreeksen zoals b u i s - h u i s - m u i s de ontbrekende beginletter
invullen na het bekijken van het volledige woord.
3. Bij structuurreeksen zoals d e u g - t e u g - z e u g de ontbrekende beginletter
invullen na het bekijken van het volledige woord.
4. Bij structuurreeksen zoals b o e l - d o e l - k o e l de ontbrekende beginletter
invullen na het beluisteren van het woord.
5. Bij structuurreeksen zoals b u i s - h u i s - m u i s de ontbrekende beginletter
invullen na het beluisteren van het woord.
6. Bij structuurreeksen zoals d e u g - t e u g - z e u g de ontbrekende beginletter
invullen na het beluisteren van het woord.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband met het
schrijven van
- klankzuivere woorden met vast woordbeeld.
06. Knip-pink
06. Eénlettergrepige woordparen zoals knip – pink aanklikken, vormen en lezen
1. Bij woordparen zoals k n i p – p i n k de letters in de juiste volgorde aanklikken.
2. Bij woordparen zoals b r a k – k r a b de letters in de juiste volgorde aanklikken.
3. Bij een woord zoals k n i p op het bijpassende woord p i n k klikken.
4. Bij woordparen zoals s l ee p – s p ee l de letters in de juiste volgorde aanklikken.
5. Bij woordparen zoals k aa r t – r aa k t de letters in de juiste volgorde aanklikken.
6. Bij een woord zoals s l ee p op het bijpassende woord s p ee l klikken.
7. Bij woordparen zoals s t oe p – p oe t s de letters in de juiste volgorde aanklikken.
8. Bij woordparen zoals s p aa r – p aa r s de letters in de juiste volgorde aanklikken.
9. Bij een woord zoals s t oe p op het bijpassende woord p oe t s klikken.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband met het
schrijven van
- klankzuivere woorden met vast woordbeeld.
07. Plaatjesdictee--zwaan
07. Eénlettergrepige woorden zoals boom, zwaan, hert, ... vormen en schrijven
bij aanbieding van afbeelding.
1. Twintig woorden zoals boom vormen door op de passende letters te klikken.
2. Twintig woorden zoals zwaan vormen door op de passende letters te klikken.
3. Twintig woorden zoals beer schrijven bij aanbieding van de betreffende afbeelding.
4. Twintig woorden zoals hert schrijven bij aanbieding van de betreffende afbeelding.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband met het
schrijven van
- klankzuivere woorden met vast woordbeeld.
t w e e d e k l a s
08. Slang-langs-glans
08. Eénlettergrepige trio's zoals slang – langs – glans aanklikken, vormen en lezen
1. Bij woordparen zoals slang - langs de letters in de juiste volgorde aanklikken
2. Bij woordparen zoals koorts - strook de letters in de juiste volgorde aanklikken
3. Bij een woord zoals slang op het bijpassende woord langs klikken.
4. Bij woordtrio’s zoals kort - trok - krot de letters in de juiste volgorde aanklikken
5. Bij woordtrio’s zoals ronkt - tronk - knort de letters in de juiste volgorde aanklikken
6. Bij een woord zoals ronkt op de bijpassende woorden tronk en knort klikken.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband met het
schrijven van
- klankzuivere woorden met vast woordbeeld
- hoogfrequente niet-klankzuivere woorden met vast woordbeeld.
09. Wal+vis
09. Samengestelde woorden zoals bal–pen vormen en lezen
1. Van twee woorden één woord maken : bal + pen = balpen.
2. Van twee woorden één woord maken : nieuw + jaar = nieuwjaar.
3. Van twee woorden één woord maken : berg + top = bergtop.
4. Van twee woorden één woord maken : hoofd + doek = hoofddoek.
5. Van twee woorden één woord maken : bal + spel = balspel.
6. Van twee woorden één woord maken : zak + lamp = zaklamp.
7. Van twee woorden één woord maken : bloem + knop = bloemknop.
8. Van twee woorden één woord maken : spreek + angst = spreekangst.
9. Van twee woorden één woord maken : spring + plank = springplank.
10. De naam van een afbeelding vormen door op de twee samenstellende
woorden te klikken, bijvoorbeeld schild + pad.
6.3 De leerlingen zijn bereid om te reflecteren over woordvorming.
10. Plaatjesdictee--fruitkorf
10. Tweelettergrepige woorden zoals fruitkorf vormen en schrijven bij aanbieding van
afbeelding.
1. Tien tweelettergrepige woorden zoals badkuip vormen door op de passende letters
te klikken.
2. Tien tweelettergrepige woorden zoals fruitkorf vormen door op de passende letters
te klikken.
3. Tien tweelettergrepige woorden zoals badkuip schrijven bij aanbieding van
de betreffende afbeelding.
4. Tien tweelettergrepige woorden zoals fruitkorf schrijven bij aanbieding van
de betreffende afbeelding.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband
met het schrijven van klankzuivere woorden met vast woordbeeld.
4.8 De leerlingen ontwikkelen bij het realiseren van de eindtermen voor schrijven
de volgende attitudes:
- bereidheid tot nadenken over het eigen schrijfgedrag;
- bereidheid tot het naleven van schrijfconventies;
11. Dictee--speelt
11. Visueel en auditief dictee van woordparen zoals klas – slak en van -trio's zoals
kerst – sterk – strek.
1. Dertig éénlettergrepige woorden zoals klas – slak vormen door op de passende
letters te klikken.
2. Twintig éénlettergrepige woorden zoals p a s t - s t a p - s p a t vormen door op
de passende letters te klikken.
3. Dertig éénlettergrepige woorden zoals klas – slak schrijven als visueel dictee.
4. Twintig éénlettergrepige woorden zoals p a s t - s t a p - s p a t schrijven als visueel
dictee.
5. Dertig éénlettergrepige woorden zoals klas – slak schrijven als auditief dictee.
6. Twintig éénlettergrepige woorden zoals p a s t - s t a p - s p a t schrijven als auditief
dictee.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband
met het schrijven van klankzuivere woorden met vast woordbeeld.
4.8 De leerlingen ontwikkelen bij het realiseren van de eindtermen voor schrijven
de volgende attitudes:
- bereidheid tot nadenken over het eigen schrijfgedrag;
- bereidheid tot het naleven van schrijfconventies;
12. Dictee--sneeuw
12. Visueel en auditief dictee van woorden met eu, ui, eeu, ieu, aai, oei, ooi en uw
1. Twintig één- en tweelettergrepige woorden met e e u w - i e u w - uw vormen
door op de passende letters te klikken.
2. Twintig één- en tweelettergrepige woorden met u i - a a i - o o i - o e i vormen
door op de passende letters te klikken.
3. Twintig één- en tweelettergrepige woorden met u i - e u - e e u - i e u vormen
door op de passende letters te klikken.
4. Twintig één- en tweelettergrepige woorden met e e u w - i e u w - uw schrijven
als visueel dictee.
5. Twintig één- en tweelettergrepige woorden met u i - a a i - o o i - o e i schrijven
als visueel dictee.
6. Twintig één- en tweelettergrepige woorden met u i - e u - e e u - i e u schrijven
als visueel dictee.
7. Twintig één- en tweelettergrepige woorden met e e u w - i e u w - uw schrijven
als auditief dictee.
8. Twintig één- en tweelettergrepige woorden met u i - a a i - o o i - o e i schrijven
als auditief dictee.
9. Twintig één- en tweelettergrepige woorden met u i - e u - e e u - i e u schrijven
als auditief dictee.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband
met het schrijven van
- klankzuivere woorden met vast woordbeeld
- hoogfrequente niet-klankzuivere woorden met vast woordbeeld.
4.8 De leerlingen ontwikkelen bij het realiseren van de eindtermen voor schrijven
de volgende attitudes:
- bereidheid tot nadenken over het eigen schrijfgedrag;
- bereidheid tot het naleven van schrijfconventies;
d e r d e t o t e n m e t d e v ij fd e k l a s
13. Voetbal+wedstrijd
13. Samengestelde woorden zoals voetbal–wedstrijd vormen en lezen
1. Van twee woorden één woord maken : appel + boom = appelboom.
2. Van twee woorden één woord maken : regen + boog = regenboog.
3. Van twee woorden één woord maken : aard + beving = aardbeving.
4. Van twee woorden één woord maken : bos + paadje = bospaadje.
5. Van twee woorden één woord maken : apen + staartje = apenstaartje.
6. Van twee woorden één woord maken : examen + uitslag = examenuitslag.
7. De naam van een afbeelding vormen door op de twee samenstellende
woorden te klikken, bijvoorbeeld potlood + slijper.
6.3 De leerlingen zijn bereid om te reflecteren over woordvorming.
14. Plaatjesdictee--kleurpotloden
14. Woorden zoals indianentent vormen met lettergrepen en schrijven bij aanbieding
van afbeelding.
1. Twintig meerlettergrepige woorden zoals kleurpotloden vormen door in de juiste volgorde
op de lettergrepen te klikken.
2. Tien drielettergrepige woorden zoals boekenkast vormen door op de passende letters
te klikken.
3. Tien meerlettergrepige woorden zoals indianentent vormen door op de passende letters
te klikken.
4. Tien drielettergrepige woorden zoals boekenkast schrijven bij aanbieding van de
betreffende afbeelding.
5. Tien meerlettergrepige woorden zoals indianentent schrijven bij aanbieding van de
betreffende afbeelding.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband met
het schrijven van
- woorden met veranderlijk woordbeeld : klinker in open en gesloten lettergreep en
verdubbeling van medeklinker.
4.8 De leerlingen ontwikkelen bij het realiseren van de eindtermen voor schrijven de
volgende attitudes:
- bereidheid tot nadenken over het eigen schrijfgedrag;
- bereidheid tot het naleven van schrijfconventies;
15. Dictee--dwergmuts
15. Visueel en auditief dictee van woorden zoals kerstmarkt
1. Tien tweelettergrepige woorden zoals melkfles vormen door op de passende letters te klikken.
2. Tien tweelettergrepige woorden zoals kerstmarkt vormen door op de passende letters te klikken.
3. Tien tweelettergrepige woorden zoals berggids vormen door op de passende letters te klikken.
4. Tien tweelettergrepige woorden zoals melkfles schrijven als visueel dictee.
5. Tien tweelettergrepige woorden zoals kerstmarkt schrijven als visueel dictee.
6. Tien tweelettergrepige woorden zoals berggids schrijven als visueel dictee.
7. Tien tweelettergrepige woorden zoals melkfles schrijven als auditief dictee.
8. Tien tweelettergrepige woorden zoals kerstmarkt schrijven als auditief dictee.
9. Tien tweelettergrepige woorden zoals berggids schrijven als auditief dictee.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband met
het schrijven van
- klankzuivere woorden met vast woordbeeld
- hoogfrequente niet-klankzuivere woorden met vast woordbeeld.
4.8 De leerlingen ontwikkelen bij het realiseren van de eindtermen voor schrijven
de volgende attitudes:
- bereidheid tot nadenken over het eigen schrijfgedrag;
- bereidheid tot het naleven van schrijfconventies;
17. Enkel-dubbel--klikken
17. Verenkeling en verdubbeling : woorden aanklikken
1. Bij 20 tweelettergrepige woorden klikken op Ik hoor een korte klinker of Ik hoor een lange
klinker.
2. Bij 20 tweelettergrepige woorden eerst klikken op de woorden met een lange klinker en daarna
op die met een korte klinker.
3. Bij 20 tweelettergr. woorden klikken op a klinkt kort of a klinkt lang – dubbel geschreven
of a klinkt lang – enkel geschreven.
4. Bij 20 tweelettergrepige woorden eerst klikken op de woorden met een lange klinker a en
daarna op die met een korte klinker a.
5. Bij 20 tweelettergr. woorden klikken op o klinkt kort of o klinkt lang – dubbel geschreven
of o klinkt lang – enkel geschreven.
6. Bij 20 tweelettergrepige woorden eerst klikken op de woorden met een lange klinker o
en daarna op die met een korte klinker o.
7. Bij woordtrio’s zoals vlaagen, vlagen, vlaggen het juiste woord aanklikken om in te vullen
in 20 zinnen : De regenvlagen maken de vlaggen nat.
8. Bij letterkoppels zoals k – kk het passende aanklikken om in te vullen in tien zinnen,
bijvoorbeeld: Wij maken grote pakken.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband
met het schrijven van woorden met veranderlijk woordbeeld: klinker in open
en gesloten lettergreep, verdubbeling van medeklinker.
4.8 De leerlingen ontwikkelen bij het realiseren van de eindtermen voor schrijven
de volgende attitudes:
- bereidheid tot nadenken over het eigen schrijfgedrag
- bereidheid tot het naleven van schrijfconventies
18. Enkel-dubbel--intikken
18. Verenkeling en verdubbeling : woorden typen
1. Twintig tweelettergrepige woorden gesplitst in twee kolommen typen : korte of lange
klinker.
2. Twintig tweelettergrepige woorden met a gesplitst in drie kolommen typen : korte klinker
of lange klinker dubbel of enkel geschreven.
3. Twintig tweelettergrepige woorden met o gesplitst in drie kolommen typen : korte klinker
of lange klinker dubbel of enkel geschreven.
4. Twintig éénlettergrepige woorden gesplitst in het meervoud typen, bijvoorbeeld :
stop – stoppen en brood – broden.
5. Tien tweelettergrepige woorden in het enkelvoud typen en tien éénlettergrepige woorden gesplitst
in het meervoud typen.
6. Van tien korte ik-zinnen wij-zinnen maken en omgekeerd, bijvoorbeeld :
Ik trek. – Wij trekken. -- Wij kopen. – Ik koop.
7. Uit woordparen zoals vlagen - vlaggen het passende woord kiezen om in te vullen in 20 zinnen,
bv. De regenvlagen maken de vlaggen nat
8. Uit letterkoppels zoals k – kk het passende kiezen om in te vullen in tien zinnen, bv.
Wij maken grote pakken.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband met het
schrijven van woorden met veranderlijk woordbeeld: klinker in open en gesloten
lettergreep, verdubbeling van medeklinker en interpunctietekens.
4.8 De leerlingen ontwikkelen bij het realiseren van de eindtermen voor schrijven
de volgende attitudes:
- bereidheid tot nadenken over het eigen schrijfgedrag
- bereidheid tot het naleven van schrijfconventies
19. Pv-tt-dansen
19. Persoonsvormen in de tegenwoordige tijd van werkwoorden zoals dansen
1. Bij twintig zinnen in de tegenwoordige tijd met werkwoorden zoals dansen
telkens op de persoonsvorm klikken; JA-NEE-vraag stellen.
2. Bij tien zinnen in de tegenwoordige tijd met werkwoorden zoals dansen de
persoonsvorm samenstellen : stam + uitgang; voorbeelden
3. Bij tien zinnen in de tegenwoordige tijd met werkwoorden zoals dansen de
persoonsvorm samenstellen : stam + uitgang; voorbeelden
4. In twintig zinnen in de tegenwoordige tijd met werkwoorden zoals dansen de
persoonsvorm typen; JA-NEE-vraag stellen.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband
met het schrijven van hoofdletters en van woorden met veranderlijk woordbeeld:
werkwoorden, klinker in open en gesloten lettergreep en verdubbeling van mede-
klinker.
4.8 De leerlingen ontwikkelen bij het realiseren van de eindtermen voor schrijven
de volgende attitudes:
- bereidheid tot nadenken over het eigen schrijfgedrag;
- bereidheid tot het naleven van schrijfconventies;
20. Pv-tt-wuiven
20. Persoonsvormen in de tegenwoordige tijd van werkwoorden zoals
wuiven en lezen
1. Bij 20 zinnen in de tegenwoordige tijd met ww. zoals wuiven
en reizen telkens op de persoonsvorm klikken; JA-NEE-vraag stellen.
2. Bij tien zinnen in de tegenwoordige tijd met werkwoorden zoals
wuiven de persoonsvorm samenstellen : stam + uitgang; voorbeelden
3. Bij tien zinnen in de tegenwoordige tijd met werkwoorden zoals
reizen de persoonsvorm samenstellen : stam + uitgang; voorbeelden
4. In twintig zinnen in de tegenwoordige tijd met werkwoorden zoals
wuiven en reizen de persoonsvorm typen; JA-NEE-vraag stellen.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband
met het schrijven van hoofdletters en van woorden met veranderlijk woordbeeld:
werkwoorden, klinker in open en gesloten lettergreep en verdubbeling van mede-
klinker.
4.8 De leerlingen ontwikkelen bij het realiseren van de eindtermen voor schrijven
de volgende attitudes:
- bereidheid tot nadenken over het eigen schrijfgedrag;
- bereidheid tot het naleven van schrijfconventies;
21. Pv-tt-rijden
21. Persoonsvormen in de tegenwoordige tijd van werkwoorden zoals
rijden en rusten
1. Bij twintig zinnen in de tegenwoordige tijd met werkwoorden zoals rijden
telkens op de persoonsvorm klikken; JA-NEE-vraag stellen.
2. Bij tien zinnen in de tegenwoordige tijd met werkwoorden zoals rijden
de persoonsvorm samenstellen : stam + uitgang; voorbeelden
3. Bij tien zinnen in de tegenwoordige tijd met werkwoorden zoals rijden
de persoonsvorm samenstellen : stam + uitgang; voorbeelden
4. In twintig zinnen in de tegenwoordige tijd met werkwoorden zoals rijden
de persoonsvorm typen; JA-NEE-vraag stellen.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband
met het schrijven van hoofdletters en van woorden met veranderlijk woordbeeld:
werkwoorden, klinker in open en gesloten lettergreep, verdubbeling van
medeklinker en niet-klankzuivere eindletter.
4.8 De leerlingen ontwikkelen bij het realiseren van de eindtermen voor schrijven
de volgende attitudes:
- bereidheid tot nadenken over het eigen schrijfgedrag;
- bereidheid tot het naleven van schrijfconventies;
22. Pv-tt-herhaling
22. Persoonsvormen in de tegenwoordige tijd van werkwoorden zoals dansen, wuiven,
lezen en rijden
1. Bij dertig zinnen in de tegenwoordige tijd telkens op de persoonsvorm klikken;
JA-NEE-vraag stellen.
2. Bij dertig zinnen in de tegenwoordige tijd telkens op de persoonsvorm klikken;
JA-NEE-vraag stellen.
3. Bij twintig zinnen in de tegenwoordige tijd de persoonsvorm samenstellen :
stam + uitgang; voorbeelden
4. Bij twintig zinnen in de tegenwoordige tijd de persoonsvorm samenstellen :
stam + uitgang; voorbeelden
5. Bij twintig zinnen in de tegenwoordige tijd de persoonsvorm samenstellen :
stam + uitgang; voorbeelden
6. In dertig zinnen in de tegenwoordige tijd de persoonsvorm typen;
JA-NEE-vraag stellen.
7. In dertig zinnen in de tegenwoordige tijd de persoonsvorm typen;
JA-NEE-vraag stellen.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband
met het schrijven van hoofdletters en van woorden met veranderlijk woordbeeld:
werkwoorden, klinker in open en gesloten lettergreep, verdubbeling van mede-
klinker en niet-klankzuivere eindletter.
4.8 De leerlingen ontwikkelen bij het realiseren van de eindtermen voor schrijven
de volgende attitudes:
- bereidheid tot nadenken over het eigen schrijfgedrag;
- bereidheid tot het naleven van schrijfconventies;
23. Pv-vt-dansen
23. Persoonsvormen in de verleden tijd van werkwoorden zoals dansen
1. Bij twintig zinnen in de verleden tijd met werkwoorden zoals dansen
telkens op de persoonsvorm klikken; JA-NEE-vraag stellen.
2. Bij tien zinnen in de verleden tijd met werkwoorden zoals dansen
de persoonsvorm samenstellen : stam + uitgang; voorbeelden
3. Bij tien zinnen in de verleden tijd met werkwoorden zoals dansen
de persoonsvorm samenstellen : stam + uitgang; voorbeelden
4. In twintig zinnen in de verleden tijd met werkwoorden zoals dansen
de persoonsvorm typen; JA-NEE-vraag stellen.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken -regels toepassen in verband
met het schrijven van hoofdletters en van woorden met veranderlijk woordbeeld:
werkwoorden, klinker in open en gesloten lettergreep en verdubbeling van mede-
klinker.
4.8 De leerlingen ontwikkelen bij het realiseren van de eindtermen voor schrijven
de volgende attitudes:
- bereidheid tot nadenken over het eigen schrijfgedrag;
- bereidheid tot het naleven van schrijfconventies;
24. Pv-vt-rusten
24. Persoonsvormen in de verleden tijd van werkwoorden zoals melden en rusten
1. Bij 20 zinnen in de verleden tijd met werkwoorden zoals rusten en raden telkens
op de persoonsvorm klikken; JA-NEE-vraag stellen.
2. Bij tien zinnen in de verleden tijd met werkwoorden zoals rusten de persoonsvorm
samenstellen : stam + uitgang; voorbeelden
3. B..ij tien zinnen in de verleden tijd met werkwoorden zoals raden de persoonsvorm
samenstellen : stam + uitgang; voorbeelden
4. In twintig zinnen in de verleden tijd met werkwoorden zoals rusten en raden
de persoonsvorm typen; JA-NEE-vraag stellen.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband
met het schrijven van hoofdletters en van woorden met veranderlijk woordbeeld:
werkwoorden, klinker in open en gesloten lettergreep, verdubbeling van mede-
klinker en niet-klankzuivere eindletter.
4.8 De leerlingen ontwikkelen bij het realiseren van de eindtermen voor schrijven
de volgende attitudes:
- bereidheid tot nadenken over het eigen schrijfgedrag;
- bereidheid tot het naleven van schrijfconventies;
25. Pv-vt-vragen
25. Persoonsvormen in de verleden tijd van werkwoorden zoals vragen
1. Bij twintig zinnen in de verleden tijd met werkwoorden zoals vragen
telkens op de persoonsvorm klikken; JA-NEE-vraag stellen.
2. Bij tien zinnen in de verleden tijd met werkwoorden zoals vragen de persoonsvorm
samenstellen : stam + uitgang; voorbeelden
3. Bij tien zinnen in de verleden tijd met werkwoorden zoals vragen de persoonsvorm
samenstellen : stam + uitgang; voorbeelden
4. In twintig zinnen in de verleden tijd met werkwoorden zoals vragen de persoonsvorm
typen; JA-NEE-vraag stellen.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband met
het schrijven van hoofdletters en van woorden met veranderlijk woordbeeld:
werkwoorden, klinker in open en gesloten lettergreep en verdubbeling van
medeklinker.
4.8 De leerlingen ontwikkelen bij het realiseren van de eindtermen voor schrijven
de volgende attitudes:
- bereidheid tot nadenken over het eigen schrijfgedrag;
- bereidheid tot het naleven van schrijfconventies;
26. Pv-vt-rijden
26. Persoonsvormen in de verleden tijd van werkwoorden zoals rijden en fluiten
1. Bij 20 zinnen in de verleden tijd met werkwoorden zoals rijden en fluiten
telkens op de persoonsvorm klikken; JA-NEE-vraag stellen.
2. Bij tien zinnen in de verleden tijd met werkwoorden zoals rijden de persoonsvorm
samenstellen : stam + uitgang; voorbeelden
3. Bij tien zinnen in de verleden tijd met werkwoorden zoals fluiten de persoonsvorm
samenstellen : stam + uitgang; voorbeelden
4. In twintig zinnen in de verleden tijd met werkwoorden zoals rijden en fluiten de
persoonsvorm typen; JA-NEE-vraag stellen.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband
met het schrijven van hoofdletters en van woorden met veranderlijk woordbeeld:
werkwoorden, klinker in open en gesloten lettergreep, verdubbeling van mede-
klinker en niet-klankzuivere eindletter.
4.8 De leerlingen ontwikkelen bij het realiseren van de eindtermen voor schrijven
de volgende attitudes:
- bereidheid tot nadenken over het eigen schrijfgedrag;
- bereidheid tot het naleven van schrijfconventies;
27. Pv-vt-herhaling
27. Persoonsvormen in de verleden tijd van werkwoorden zoals
dansen, rusten, vragen en rijden
1. Bij dertig zinnen in de verleden tijd telkens op de persoonsvorm klikken;
JA-NEE-vraag stellen.
2. Bij dertig zinnen in de verleden tijd telkens op de persoonsvorm klikken;
JA-NEE-vraag stellen.
3. Bij twintig zinnen in de verleden tijd de persoonsvorm samenstellen :
stam + uitgang; voorbeelden
4. Bij twintig zinnen in de verleden tijd de persoonsvorm samenstellen :
stam + uitgang; voorbeelden
5. Bij twintig zinnen in de verleden tijd de persoonsvorm samenstellen :
stam + uitgang; voorbeelden
6. In dertig zinnen in de verleden tijd de persoonsvorm typen;
JA-NEE-vraag stellen.
7. In dertig zinnen in de verleden tijd de persoonsvorm typen; JA-NEE-vraag stellen.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband met
het schrijven van hoofdletters en van woorden met veranderlijk woordbeeld:
werkwoorden, klinker in open en gesloten lettergreep, verdubbeling van mede-
klinker en niet-klankzuivere eindletter.
4.8 De leerlingen ontwikkelen bij het realiseren van de eindtermen voor schrijven
de volgende attitudes:
- bereidheid tot nadenken over het eigen schrijfgedrag;
- bereidheid tot het naleven van schrijfconventies;
z e s d e k l a s
28. Deelwoord--versierd-beslist
28. Voltooide deelwoorden van werkwoorden zoals versieren, beslissen, ... ,
herkennen, vormen en schrijven.
1. Bij twintig zinnen telkens op het voltooid deelwoord klikken van werkwoorden
zoals versieren en beslissen.
2. Bij tien zinnen het voltooid deelwoord samenstellen - ik-vorm + d/t - van werkwoorden
zoals overtuigen en ontsnappen.
3. Bij tien zinnen het voltooid deelwoord samenstellen - ik-vorm - van werkwoorden zoals beantwoorden en verwachten.
4. In twintig zinnen het voltooid deelwoord typen van werkwoorden zoals doorweken en voorspellen.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband met het schrijven van hoofdletters en van woorden met veranderlijk woordbeeld:
werkwoorden, klinker in open en gesloten lettergreep, verdubbeling van
mede-klinker en niet-klankzuivere eindletter.
4.8 De leerlingen ontwikkelen bij het realiseren van de eindtermen voor schrijven
de volgende attitudes:
- bereidheid tot nadenken over het eigen schrijfgedrag;
- bereidheid tot het naleven van schrijfconventies;
29. Deelwoord--gespeeld-gewerkt
29. Voltooide deelwoorden van werkwoorden zoals spelen, werken, ... , herkennen, vormen en schrijven.
1. Bij twintig zinnen telkens op het voltooid deelwoord klikken van werkwoorden zoals spelen en werken.
2. Bij tien zinnen het voltooid deelwoord samenstellen - ge + ik-vorm - van werkwoorden zoals redden en twisten.
3. Bij tien zinnen het voltooid deelwoord samenstellen - ge + ik-vorm + d/t - van werkwoorden zoals spelen en werken.
4. In twintig zinnen het voltooid deelwoord typen van werkwoorden zoals spelen en werken.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband met het schrijven van hoofdletters en van
woorden met veranderlijk woordbeeld: werkwoorden, klinker in open en gesloten lettergreep, verdubbeling van
medeklinker en niet-klankzuivere eindletter.
4.8 De leerlingen ontwikkelen bij het realiseren van de eindtermen voor schrijven de volgende attitudes:
bereidheid tot nadenken over het eigen schrijfgedrag;
bereidheid tot het naleven van schrijfconventies;
30. Deelwoord--uitgesteld-opgelost
30. Voltooide deelwoorden van ww. zoals uitstellen, oplossen, ... , herkennen, vormen en schrijven.
1. Bij twintig zinnen telkens op het voltooid deelwoord klikken van werkwoorden zoals invullen en omhakken.
2. Bij tien zinnen het voltooid deelwoord samenstellen van werkwoorden zoals uitbranden en neerstorten.
3. Bij tien zinnen het voltooid deelwoord samenstellen van werkwoorden zoals aanlegggen en leegpompen.
4. In twintig zinnen het voltooid deelwoord typen van werkwoorden zoals oppoetsen en terugkeren.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband met het schrijven van hoofdletters en van
woorden met veranderlijk woordbeeld: werkwoorden, klinker in open en gesloten lettergreep, verdubbeling van
medeklinker en niet-klankzuivere eindletter.
4.8 De leerlingen ontwikkelen bij het realiseren van de eindtermen voor schrijven de volgende attitudes:
bereidheid tot nadenken over het eigen schrijfgedrag;
bereidheid tot het naleven van schrijfconventies;
31. Deelwoord--geroepen-genomen
31. Voltooide deelwoorden van werkwoorden zoals roepen, nemen, ... ,herkennen, vormen en schrijven.
1. Bij twintig zinnen telkens op het voltooid deelwoord klikken van werkwoorden zoals lachen, binden, begrijpen.
2. Bij tien zinnen het voltooid deelwoord samenstellen van werkwoorden zoals bakken.
3. Bij tien zinnen het voltooid deelwoord samenstellen van werkwoorden zoals nemen.
4. In twintig zinnen het voltooid deelwoord typen van werkwoorden zoals lachen, binden, begrijpen.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband met het schrijven van hoofdletters en van
woorden met veranderlijk woordbeeld: werkwoorden, klinker in open en gesloten lettergreep en verdubbeling van
medeklinker.
4.8 De leerlingen ontwikkelen bij het realiseren van de eindtermen voor schrijven de volgende attitudes:
bereidheid tot nadenken over het eigen schrijfgedrag;
bereidheid tot het naleven van schrijfconventies;
32. Deelwoord--ontkurkte-fles
32. Voltooide deelwoorden van allerlei werkwoorden als bijvoeglijk naamwoord herkennen, vormen en schrijven.
1. Bij twintig zinnen telkens op het voltooid deelwoord klikken dat bij een naamwoord staat.
2. Bij tien zinnen het voltooid deelwoord samenstellen dat bij een naamwoord staat -- een geplukte bloem.
3. Bij tien zinnen het voltooid deelwoord samenstellen dat bij een naamwoord staat -- een omgevallen boom.
4. In twintig zinnen het voltooid deelwoord typen dat bij een naamwoord staat.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband met het schrijven van hoofdletters en van
woorden met veranderlijk woordbeeld: werkwoorden, klinker in open en gesloten lettergreep, verdubbeling van
medeklinker en niet-klankzuivere eindletter.
4.8 De leerlingen ontwikkelen bij het realiseren van de eindtermen voor schrijven de volgende attitudes:
bereidheid tot nadenken over het eigen schrijfgedrag;
bereidheid tot het naleven van schrijfconventies;
33. Deelwoord--spelend
33. Onvoltooide deelwoorden van allerlei werkwoorden herkennen, vormen en schrijven.
1. Bij twintig zinnen telkens op het onvoltooid deelwoord klikken.
2. Bij tien zinnen het onvoltooid deelwoord samenstellen.
3. Bij tien zinnen het onvoltooid deelwoord samenstellen.
4. In twintig zinnen het onvoltooid deelwoord typen.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband met het schrijven van hoofdletters en van
woorden met veranderlijk woordbeeld: werkwoorden, klinker in open en gesloten lettergreep, verdubbeling van
medeklinker en niet-klankzuivere eindletter.
4.8 De leerlingen ontwikkelen bij het realiseren van de eindtermen voor schrijven de volgende attitudes:
bereidheid tot nadenken over het eigen schrijfgedrag;
bereidheid tot het naleven van schrijfconventies;
34. Deelwoord--spelend-kind
34. Onvoltooide deelwoorden van allerlei werkwoorden als bijvoeglijk naamwoord herkennen, vormen en schrijven.
1. Bij twintig zinnen telkens op het onvoltooid deelwoord klikken dat bij een naamwoord staat.
2. Bij tien zinnen het onvoltooid deelwoord samenstellen dat bij een naamwoord staat -- een dansend kind.
3. Bij tien zinnen het onvoltooid deelwoord samenstellen dat bij een naamwoord staat -- de juichende mensen.
4. In twintig zinnen het onvoltooid deelwoord typen dat bij een naamwoord staat.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband met het schrijven van hoofdletters en van
woorden met veranderlijk woordbeeld: werkwoorden, klinker in open en gesloten lettergreep, verdubbeling van
medeklinker en niet-klankzuivere eindletter.
4.8 De leerlingen ontwikkelen bij het realiseren van de eindtermen voor schrijven de volgende attitudes:
bereidheid tot nadenken over het eigen schrijfgedrag;
bereidheid tot het naleven van schrijfconventies;
35. Deelwoord-herhaling
35. Voltooide en onvoltooide deelw. als deel van wwgr. of als bijvoeglijk naamwoord herkennen en schrijven.
1. Bij twintig zinnen zoals - De blaffende hond is naar de vechtende jongens gelopen. - telkens op meerdere deelwoorden klikken.
2. Bij twintig deelwoorden eerst op de onvoltooide en daarna op de voltooide deelwoorden klikken.
3. Bij twintig deelwoorden eerst op de voltooide en daarna op de onvoltooide deelwoorden klikken.
4. In twintig zinnen op meerdere plaatsen een deelwoord typen van een gegeven werkwoord.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband met het schrijven van hoofdletters en van
woorden met veranderlijk woordbeeld: werkwoorden, klinker in open en gesloten lettergreep, verdubbeling van
medeklinker en niet-klankzuivere eindletter.
4.8 De leerlingen ontwikkelen bij het realiseren van de eindtermen voor schrijven de volgende attitudes:
bereidheid tot nadenken over het eigen schrijfgedrag;
bereidheid tot het naleven van schrijfconventies;
36. Persoonsvormen-tt-vt-herhaling
36. Persoonsvormen van allerlei werkwoorden in de tegenwoordige en in de verleden tijd herkennen en schrijven.
1. Bij twintig zinnen in de tegenwoordige of in de verleden tijd op 40 persoonsvormen klikken.
2. Bij twintig zinnen in de tegenwoordige of in de verleden tijd op 50 persoonsvormen klikken.
3. Bij 40 losse persoonsvormen eerst klikken op die in de tegenwoordige tijd en daarna op die in de verleden tijd -- zonder klankverandering.
4. Bij 40 losse persoonsvormen eerst klikken op die in de verleden tijd en daarna op die in de tegenwoordige tijd -- met klankverandering.
5. Bij 40 losse persoonsvormen klikken op die in de tegenwoordige tijd en op die in de verleden tijd -- met en zonder klankverandering.
6. In twintig zinnen op meerdere plaatsen een persoonsvorm typen van een gegeven werkwoord.
7. In dertig zinnen op meerdere plaatsen een persoonsvorm typen van een gegeven werkwoord.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband met het schrijven van hoofdletters en van
woorden met veranderlijk woordbeeld: werkwoorden, klinker in open en gesloten lettergreep, verdubbeling van
medeklinker en niet-klankzuivere eindletter.
4.8 De leerlingen ontwikkelen bij het realiseren van de eindtermen voor schrijven de volgende attitudes:
bereidheid tot nadenken over het eigen schrijfgedrag;
bereidheid tot het naleven van schrijfconventies;
37. Werkwoordvormen-herhaling
37. Persoonsvormen en deelwoorden van allerlei werkwoorden herkennen en schrijven.
1. Bij twintig zinnen in de tegenwoordige of in de verleden tijd op alle persoonsvormen en op alle deelwoorden klikken.
2. Bij twintig zinnen in de tegenwoordige of in de verleden tijd op alle persoonsvormen en op alle deelwoorden klikken.
3. Bij 80 losse persoonsvormen en deelwoorden eerst klikken op de persoonsvormen en daarna op de deelwoorden.
4. Bij 40 losse persoonsvormen en deelw. in reeksen zoals kijk, keek, kijkend, gekeken wisselend klikken op de gevraagde werkwoordvorm.
5. In twintig zinnen op meerdere plaatsen een persoonsvorm of een deelwooord typen van een gegeven werkwoord.
6. In twintig zinnen op meerdere plaatsen een persoonsvorm of een deelwooord typen van een gegeven werkwoord.
4.7 De leerlingen kunnen spellingsafspraken en -regels toepassen in verband met het schrijven van hoofdletters en van
woorden met veranderlijk woordbeeld: werkwoorden, klinker in open en gesloten lettergreep, verdubbeling van
medeklinker en niet-klankzuivere eindletter.
4.8 De leerlingen ontwikkelen bij het realiseren van de eindtermen voor schrijven de volgende attitudes:
bereidheid tot nadenken over het eigen schrijfgedrag;
bereidheid tot het naleven van schrijfconventies;